Zoeken:
Home
GO! Informatie
Melden
PBM+VGWM handhaving
Toolboxen
Pas scanner
Update in de keet
Bij nood & ongevallen

Ontvang dit document per e-mail.

E-mailadress:

    
13 Veiligheid in het Ontwerp
 > Spoorveiligheid
Discussie > Bespreek het met je collega’s!

Ga met elkaar in gesprek over het volgende:

  1. Hoe ga jij om met dit probleem in jouw werkomgeving?
  2. Wist jij dat er wetten/regels waren?
  3. Hoe ben je hier achter gekomen?

Je mag zoveel tekst toevoegen als gewenst

Inleiding spoorveiligheid

Als Heijmans ontwerpen en bouwen we objecten in of nabij het spoor. Je zou verwachten dat spoorveiligheid speelt bij onze Infraprojecten aan of nabij het spoorwegennet van ProRail, maar ook bij Woningbouw en/of Utiliteitsbouw kunnen we hiermee te maken krijgen. In het binnenstedelijk gebied is de kans groot dat we moeten werken nabij bestaande railinfrastructuur. Naast ProRail kan men te maken krijgen met tram- en metrospoor of in Arnhem met het trolleynet.

Voor Utiliteit kan men bijvoorbeeld denken aan het realiseren van een groot spoorwegstation. Maar ook een groot ge-
bouw naast het spoor of, voor Woningbouw, een woonwijk waar een tram- of metronet aanwezig is. Hierdoor kan elke be-
drijfsstroom te maken krijgen met de bijbehorende risico’s van de diverse railinfrastructuren.

Wanneer we objecten ontwerpen en/of bouwen in of nabij het spoor moeten we dus rekening houden met spoorveilig-
heid. Voor ontwerpers betekent dit niet alleen dat er voldaan moet worden aan de ontwerprichtlijnen, maar ook dat er re-
kening gehouden dient te worden met een veilige uitvoerbaarheid. Hierna gaan we in op beide aspecten.

Risico's > Wat kan er gebeuren?

De drie belangrijkste risico’s met betrekking tot spoorveiligheid zijn:

Aanrijdgevaar: een persoon, materieel of materiaal dat onbedoeld binnen Gevarenzone A (zie afbeelding 2) komt van in
dienst zijnde railinfrastructuur.
Elektrocutiegevaar: een persoon, materieel of materiaal dat onbedoeld in contact komt met onder spanning staande
hoogspanningsinstallaties en/of -kabels.
Ontsporingsgevaar: ontsporing van railvoertuigen door aantasting van de veilige berijdbaarheid van railinfra en installaties zoals bovenleiding, seinen, wissels of spoor

Maatregelen > Wat moet je doen?

Voor het werken aan en nabij railinfrastructuur zijn er speciale richtlijnen en wetgeving van toepassing waar men zich
aan dient te houden. Hier dienen we in het ontwerp al rekening mee te houden.

Aanrijdgevaar

Bij de beoordeling van aanrijdgevaar zijn de ProRail richtlijnen Normenkader Veilig Werken (NVW) in combinatie met
Voorschrift Veilig Werken (VVW per discipline trein, tram of metro) van toepassing. Het NVW is de regelgeving voor wer-
ken aan en rondom het spoor.

Bij het ontwerpen gaat het dan vooral (maar niet uitsluitend) over bouwafstanden en het voorkomen van betreding van
het spoor. Voor afstanden van objecten als kolommen, hekken, wanden, etc. t.o.v. railinfra gelden de ontwerp voorschrif-
ten voor spoorlijnen (OVS). In de regel zijn deze afstanden ruimer dan gebruikelijk vanwege bijvoorbeeld toe te passen
elektrische veiligheid of vluchtroutes. Deze richtlijnen zijn bij elke railinfra eigenaar/beheerder opvraagbaar. Dit geldt
eveneens voor doorrijhoogte (profiel van vrije ruimte) van kunstwerken al dan niet voorzien van bovenleiding.

Heijmans uitgangspunten bij het evalueren van risico’s bij de uitvoering van werkzaamheden:

Bron aanpak (conform de arbeidshygiënische strategie): dit betekent een buitendienststelling (BD) waardoor men in Geva-
renzone A kan werken. Hiervoor gelden vaste doorlooptijden als zijnde een vergunningaanvraag en mag uitsluitend door
daarvoor erkende bedrijven worden gedaan.

Isoleren: het risico kan niet uitgesloten worden, maar wel beperkt worden, waarbij men afbeelding 2 hanteert. In afbeel-
ding 2 wordt er een fysieke afscherming (FA) op de rand van Gevarenzone A en Nabijheidszone B geplaatst.

In afbeelding 1 en 2 is de regelgeving bij aanrijdgevaar weergegeven, vanuit het NVW. In de link onder het kopje ‘Tips’ kan
het NVM en VVW worden ingezien.

Afbeelding 1: Grensmaten bij verschillende baanvaksnelheden.
Afbeelding 2: Afstand tot hart spoor in meters en afstanden fysieke afscheiding om te kunnen werken in zone B en C

Elektrocutiegevaar

Het belangrijkste voor de ontwerper is om goed na te gaan of er hoogspanningsinstallaties nabij het te ontwerpen object
in de buurt staan en welke werkzaamheden in welke klasse vallen en daarmee de uitvoerbaarheid van het werk te bepa-
len.

Het VWS (Voorschrift Veilig werken aan en nabij hoogspanningsinstallaties) conform RLN-00128-2 beschrijft de diverse
installaties met de bijbehorende veiligheidsmaatregelen. Voor tram en metro gelden specifieke maatregelen die bij ver-
voersbedrijven opvraagbaar zijn.

Voor het ontwerp zijn ook hier diverse ontwerpvoorschriften (OVS’n) van toepassing. Het kan zijn dat de bovenleiding
(BVL) aan dekken opgehangen dienen te worden. In de OVS staat dan tot welke hoogte de BVL verlaagd mag worden, type
ophanging, isolatiewaarde naar het kunstwerk, h.o.h. afstand van ophanging en de toepassing van aardingen (van alle
stalen constructiedelen incl. wapening) en afscherming (gaasramen en hekken) etc. etc. Ook zwerfstromen vallen onder
het technische ontwerp!

In de RLN-00128-2 wordt beschreven hoe men om dient te gaan met de risico’s met betrekking tot elektrocutie in relatie
tot de uitvoering van werkzaamheden. Afbeelding 3 is gemaakt op basis van deze regelgeving (in de regelgeving is na-
melijk alleen tekstueel beschreven waar men aan moet voldoen).
Hierbij speelt de hoogte van het materieel (H) en de daarbij behorende vallijn (het valbereik) de belangrijkste rol. Zoals in
de afbeelding 3 ziet is er sprake van:

Klasse A: indien het materieel op een dusdanige afstand staat dat als dit omvalt nog ruim buiten de hoogspanningslei-
ding neerkomt.
Klasse B: het materieel komt op de hoogspanningsleiding terecht als dit omvalt; de kraan of materieel moet vanaf deze
zone verplicht een kraanaarde hebben.
Klasse C: materieel dat buiten de 5m1 uit de bovenleiding werkt. Dient onder regelmatig toezicht EV (Toezichthouder EV
is een persoon met minimaal de functie Vakbekwaam Persoon bovenleiding) te werken.
Klasse D: materieel dat binnen de 5m1 uit de bovenleiding werkt. Dient onder permanent toezicht EV te werken.
Klasse E: in de zone < 1,5m1 uit de bovenleiding en vanaf onder spanning staande delen zoals afspanningen en schake-
laars; werken gebeurt altijd spanningsloosstelling van de installatie (SL).

Afbeelding 3: Regelgeving RLN-00128-2 beeldend uitgewerkt

Ontsporingsgevaar

Als ontwerper kan het risico op ontsporen worden beïnvloed door het hanteren van o.a. de juiste boogstralen, verkantin-
gen en bouwafstanden. Hiervoor geldt de PRC-00036 m.b.t. de borging van veilig berijdbare railinfrastructuur. Hier dient
men volgens voorgeschreven format zijn plan te maken, in te dienen en goed te laten keuren.
In de richtlijn PRC-00036 staat beschreven hoe men bij de uitvoering van werkzaamheden dient te borgen dat het trein-
verkeer veilig het spoor kan blijven berijden. Een aantal punten welke uit de richtlijn komen (zie ook afbeelding 4):

  • Voorkomen van aanrijding met materiaal: zorg dat materialen buiten gevaren zone A staan opgesteld
  • Voorkomen van ontsporing: continue monitoren van het spoor tijdens werkzaamheden zoals bijvoorbeeld hei- of boorwerkzaamheden onder het spoor waardoor het spoor kan verzakken of opbollen. Wanneer dit optreedt kan het zijn dat er aanvullende maatregelen getroffen moeten worden, zoals het verlagen van de snelheid van de treinen om ontsporing te voorkomen.
  • Zichtlijnen: geen bouwcontainers of materialen opstellen in de zichtlijnen, waardoor een machinist bijvoorbeeld het volgende sein niet kan zien. Hierdoor kan het treinverkeer vertraging oplopen of zelfs stil wordt gelegd.

Zie afbeelding 5 voor de instandhoudingsspecificaties van het spoor uit de OHD-00033-1. Heijmans heeft zelf de attentie-
waarde (AW) toegevoegd en de AW is 60% van de bodemwaarde (BW). Wij sturen hierop door vast te stellen dat tijdens
onze werkzaamheden het spoor aan het zakken is. De BW is de ondergrens van kwalitatieve spoorligging. De veiligheids-
waarde (VW) als die over schreden wordt moet de snelheid van de treinen naar beneden.

Zo zijn er ook richtlijnen voor rijdraadpositie en scheefstand van BVL-masten, relaiskasten en seinen.

Afbeelding 4: Om de veilige berijdbaarheid te kunnen borgen kan men aan deze veiligheidsmaatregelen denken.

Huisregels ProRail en andere railbeheerders

ProRail, maar ook de metrobedrijven van GVB en RET, alsmede de trambedrijven GVB, RET, HTM en BRU hebben hun ei-
gen huisreglementen. Daarin staan hun veiligheidsvoorschriften genoemd, maar ook middelen of erkenningsregelingen
om aan “hun” railinfrastructuur te mogen werken. Vraag die altijd op, ook voor de latere uitvoering.

Maar als ontwerper heb je te maken met hun specifieke ontwerp voorschriften, bij ProRail afgekort als OVS. De bekendste
is voor Heijmans de reeks OVS-00030, specifiek voor kunstwerken. Indirect zijn ook spoortechnische voorschriften van
toepassing denk hierbij aan:

  • K&L voorschriften m.b.t. diepte en koker omvang.
  • Spoor voor bijvoorbeeld ontsporingsgeleidingen nabij kunstwerken.
  • BVL voor ophanging en veilige afstanden, afscherming etc..
  • Treinbeveiliging voor zichtlijnen van seinen en geotechnische ondergrond bij wissels.

Maar voor werken op, om en nabij railinfrastructuur gelden wat algemene zaken:

  • Gele helm.
  • Geel veiligheidsvest (trein en metro).
  • Oranje veiligheidsvest (uitsluitend bij trambedrijven).
  • Veiligheidsschoenen.
  • In het bezit zijn van een Digitaal veiligheidspaspoort (ProRail. De vervoersbedrijven hebben eigen toegangsregelingen waaraan men zal moeten voldoen).